Vrienden Twitter Facebook Twitter


gelijkvloers

gelijkvloers

verdieping


verdieping

gebouw

Het Casinogebouw in zijn vroegere vorm dateert uit 1949 en is het resultaat van een verbouwing door architecten De Smet en Rooms na de vernieling van de ovalen koppaviljoenen van de grote hal tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het Casino werd voor allerlei manifestaties gebruikt en bestond uit een cafetaria, een restaurant en enkele feest- en danszalen. Het is een symmetrisch opgevat gebouw in 2 bouwlagen. Het bestaat uit een geprononceerde voorbouw met dwars georiënteerde monumentale zalen geflankeerd door enkele kleinere ruimten, en een achterbouw met op iedere verdieping één grote middenzaal en twee zijruimten. Aan de achterkant leunt het Casino aan tegen de indrukwekkende floraliahal.

Het nieuwe museumgebouw is een impliciete kritiek op de diverse nieuwe museumarchitectuur van de laatste jaren in Europa. Tegenover de prestigieuze façade-architectuur waarbij het gebouw zelf als architecturale prestatie centraal staat, is hier geopteerd voor een ingrijpende renovatie van een zeer mooi geproportioneerd gebouw. De ruimtes zijn rijk gevarieerd, zowel wat proporties als wat de inval van het natuurlijk licht betreft. De architectuur is ondergeschikt aan het tonen van kunst, zonder afbreuk te doen aan de betekenis van architectuur voor een stad.

De verbouwing is een ontwerp van architect Koen Van Nieuwenhuyse , een jonge architect verbonden aan de Technische Dienst Gebouwen van de Stad Gent. Het ontwerp is het resultaat van een permanente dialoog tussen de architect, de kunstenaars, de museumdirecteur en het personeel (dat een reële inspraak had). Een dialoog die tevens permanent open en flexibel bleef. Deze flexibiliteit is zo groot dat zelfs in een reeds ver gevorderd stadium van de verbouwingswerken nog belangrijke wijzigingen konden doorgevoerd worden. Vanzelfsprekend werd men voortdurend geconfronteerd met technische en (vooral) financiële beperkingen, maar deze werden dikwijls als uitdagingen gezien om te komen tot creatieve oplossingen.

Wat waren de uitdagingen voor de architect?

Het verbouwen van een bestaand gebouw heeft natuurlijk op zich reeds zijn beperkingen. In het geval van het Casino stelden zich volgende problemen: 1. de werking van het licht - in het bijzonder daglicht 2. relatie tussen het museum en de omliggende gebouwen 3. ruimten voor de administratie 4. binneninrichting: enerzijds zowel voor een (semi-)permanente opstelling van de collectie, anderzijds een flexibele indeling voor de wisselende tentoonstellingen

1. het licht

De licht-problematiek in het Casino was complex. Het gebouw was relatief gesloten met vrije hoogtes tussen de 4 à 5 meter, in enkele ruimten 6 à 8 meter.

De oplossing bestond erin 3 grote insnijdingen te maken in het gebouw: een inkom-ruimte en 2 gangen met een hoogte van ca. 14 meter, afgesloten met een glazen dak. Hierdoor wordt niet alleen zenitaal licht naar het gelijkvloers getrokken, maar wordt ook de 3-beukige indeling benadrukt en de oriëntatie van het gebouw bekrachtigd. De middenzaal op het gelijkvloers wordt aan de zijkanten opengehouden zodat ze optimaal kan profiteren van het daglicht uit de "corridors". De gelijkvloerse zalen in de zijbeuken behouden de ramen. Hierdoor ontstaat een direct contact met de parkomgeving.

Op de verdieping zijn deze ramen gesupprimeerd ten voordele van grote doorlopende wanden. De bovenzalen van de achterbouw hebben allen zenitaal daglicht. De grote zaal vooraan en de kabinetten in de zijvleugels hebben grote ramen tot op de grond. Vanuit deze zalen kijkt men naar de overbuur, het Museum voor Schone Kunsten, en naar het (nog aan te leggen) museumplein dat beide musea zal verbinden.

2. de relatie met de omliggende gebouwen

Aan de achterzijde van het gebouw wordt een maximaal visueel contact met de floraliahal gerealiseerd door op een dubbel niveau een glazen uitbouw op te trekken. Hierdoor wordt deze monumentale grote hal - althans in eerste instantie visueel - een integraal deel van het museum en worden er tal van mogelijkheden gegenereerd. In een recent goedgekeurd 'masterplan voor het Citadelpark' werd gesteld dat de floraliahal een flexibele ruimte moet worden voor de omliggende gebouwen met hun verscheiden functies. Deze gebouwen zijn het Congrescentrum, het Kuipke en het museum; of met andere woorden: de maatschappelijke organisatie - de recreatie - de kunst. En het geheel ligt ingebed in de natuur van het park. Op korte termijn hoopt men door de sloop van hal 6 de floraliahal terug gedeeltelijk open te maken zodat een aangename wandelroute ontstaat tussen het Sint-Pietersstation en het Sint-Pietersplein en de Blandijnberg (de belangrijkste universiteitssite) dwars doorheen de hal, langs het museum.

In een eerste fase wordt een deel van deze hal gebruikt voor de opstelling van de omvangrijke Panamarenko collectie met permanent de "Aeromodeller" als kroonjuweel.

3. de plaats van de administratie

De problematiek van administratieve ruimte werd opgelost door een extra bouwlaag toe te voegen op het dak van het museum. Hierdoor kon het bestaande gebouw optimaal benut worden voor tentoonstellingsruimte. De plaats op het dak betekende ook dat de staf en administratie permanent voeling kan behouden met de tentoonstellingszalen. Daarnaast is er natuurlijk ook de mooie symboliek: het personeel in de hersenpan van het museum. En aangezien er vaak tot laat in de avond wordt gewerkt zullen de kantoren een "vuurtorenfunctie" vervullen voor de late wandelaars.

Het S.M.A.K. wordt vooral een huis, een huis voor kunst en kunstenaars. En ook dit weerspiegelt zich in de architectuur; niet alleen in de integratie van een appartement waar kunstenaars kunnen logeren en werken, maar ook in de opdracht die werd gegeven aan drie kunstenaars om specifieke ruimten in te richten.

Twee publiekgerichte functies van het museum, de cafetaria en de bibliotheek, bevinden zich uitnodigend op het gelijkvloers onmiddellijk aansluitend op de inkomhal. Voor de cafetaria werd aan Angel Vergara gevraagd om alles van muur tot plafond, van toog tot tafels en stoelen "onder handen te nemen". Voor de bibliotheek werkt Jan Fabre aan een ontwerp voor een mozaïek met kevers, voor Fabre symbolen van het geheugen en aldus een perfecte metafoor voor een bibliotheek. De Amerikaanse kunstenares Jessica Diamond ten slotte, maakt twee muurschilderingen in de inkomhal.

4. binneninrichting

Het museum is ingericht zodat een deel van de collectie een semi-permanente plaats krijgt op het gelijkvloers, terwijl de verdieping, door het meer open karakter, eerder geschikt is voor de tijdelijke tentoonstellingen. De kabinetten kunnen dan weer dienen voor kleinere presentaties uit de grafiek- of fotocollectie. Maar het gebouw heeft genoeg flexibiliteit in zich om deze invullingen om te draaien. In het concept is maximaal rekening gehouden met de onvoorspelbaarheid en onherleidbaarheid van de hedendaagse kunst.

Het nieuwe Stedelijke Museum voor Actuele Kunst wordt geen spectaculair groot en verrassend gebouw. Het museum is verbouwd op de schaal van de stad en de directe omgeving van het park en houdt rekening met de mogelijkheden en ambities.

Het is een constructie op menselijke schaal die de noodzakelijke modaliteiten schept om de steeds groeiende verzameling deskundig onderdak te bieden. Het gebouw moet de identiteit van het kunstwerk onderstrepen, een intuïtieve dialoog met de kijker bewerkstelligen en een diepgaand contact met het kunstwerk mogelijk maken. Zo'n architectuur moet eerder worden gezien als een "omgeving" die zo geconcipieerd is dat de waarachtige kwaliteiten van het artistieke optimaal op de voorgrond kunnen treden, dat ze het specifieke klimaat ervan in zich opneemt, om het op haar beurt uit te stralen.